Over mij

‘Annejannetje bestaat niet’
Dat zei de ambtenaar van de burgerlijke stand toen mijn vader me een halve eeuw geleden kwam inschrijven. Er moest een streepje tussen: Anne-Jannetje. Omdat ik zo snel groeide ging het ‘netje’ er al snel vanaf. Zo werd het Anne-Jan. Maar toen ik naar de middelbare school ging vond ik twee hoofdletters overdreven en het streepje een beetje tuttig.  Zo werd het Annejan.

En toen
Eerst werd ik architect en ging huizen ontwerpen. Hoge, lage, dure, goedkope, mooie en soms ook lelijke. Het was leuk werk, maar ik ging er steeds slechter van slapen. Dan lag ik maar te piekeren over de kleur van de voordeur of de maat van de bakstenen. En het ging allemaal zo langzaam. Als ik iets verzonnen had, duurde het maanden of jaren voordat het echt gebouwd werd. Daarom wilde ik juf worden. Op een basisschool, want dan mag je alles lekker zelf doen. Wat ik verzin, probeer ik de volgende dag meteen uit. Arme kinderen!

Hoe ik toch boeken las
Ik was nooit zo’n goede lezer. Gelukkig las mijn moeder ons veel voor. Met een brok in de keel en een overslaande stem liet ze ons met Laura en Mary meereizen en in Bolderburen rondstruinen. We brachten lange zomers door, alleen op de wereld en samen op het eiland Zeekraai. Schrijven deed ik alleen in december om Sinterklaas te helpen. Voor mijn broer maakte ik eens het verhaal van ‘De Krent´. Tijdens het voorlezen bleef het muis stil. Dat was heel spannend. Toen begon hij ineens héél hard lachen. Het was de eerste keer dat ik merkte hoe leuk het is om gelezen te worden.

Waarom ik ben gaan schrijven
Toen onze drie jongens nog heel klein waren, vroeg een vriendin me steeds mee naar haar schrijfcursus. Om haar een plezier te doen ging ik een keer mee. Zo werd Benny Lindelauf mijn schrijfmeester. Hij leerde me het schatgraven. En nog veel meer.

Ik schreef stapels halve verhalen. Pas toen ik over Fenna ging schrijven wist ik dat het een heel verhaal zou worden. Toen het na eindeloos schrijven, schrappen, verbouwen, omgooien en afhechten eindelijk klaar was stuurde ik het naar een paar uitgevers. Maanden wachten was me voorspeld. Vier dagen later ging echter ‘s ochtend om 9 uur de telefoon. Na een hele lange naam hoorde ik ineens ‘Lemniscaat’. Toen ging ik maar even zitten. Ze hadden Portiek Zeezicht met veel plezier gelezen en wilden graag met me kennismaken. Wat hij verder nog zei hoorde ik niet meer. Ze houden van Fenna, dacht ik alleen maar.

Wat ik verder doe
Drie dagen per week sta ik voor een klas vol schatjes op een school in Rotterdam. Een luizenbaantje! Beetje zingen, beetje springen, een sommetje hier en daar en dan is het alweer pauze of vakantie. En waar ik het aller gelukkigst van word: een zoemende klas. Daarnaast ontwerp ik onderwijs en zo nu en dan een huis of een kast. Liefst een boekenkast natuurlijk. Aan de opvoeding van onze drie zonen doe ik niet zoveel meer. Die kansen zijn voorbij. Ze weten helaas nog steeds niet waar een kapstok voor is, denken dat de tafel zichzelf afruimt, zijn vergroeid met hun mobiel en vergeten soms door te trekken. Maar verder lijkt het toch best aardig gelukt en vliegen ze vrolijk uit. Daardoor heb ik nu op zolder een schrijfkamertje. Ik moet het wel delen met een berg kampeerspullen. Dat doe ik graag. Het liefst in Schotland, samen met Arthur en heel veel muggen.